|
Het buitenland (Maarten ’t Hart) |
|
Mijn ouders gingen nooit met vakantie. Ze kenden het woord misschien wel maar gebruikten het nimmer. Eenmaal per jaar kreeg mijn vader een week ‘verlof’ en in die week fietsten wij meestal één dag naar het Hof in Vlaardingen waar we dan aan een vijver zaten en op alle andere dagen naar het Huis ter Lucht, een kleine nederzetting op de grens van Maasland en Maassluis, ongeveer anderhalve kilometer bij ons huis vandaan.
Bij helder weer kon je heel in de verte witte zeilen boven de rietzoom langs het Bommeer voorbij zien gaan en die witte zeilen in zomerzonlicht vatten als beeld alles samen wat dankzij dat woord ‘verlof’ in die week te beleven viel. Wij fietsten uiteraard niet zonder doel naar het Huis ter Lucht, het zou bij mijn ouders – die hun hele leven lang niet eenmaal buitenshuis hebben geslapen – nooit zijn opgekomen ‘zomaar’ ergens heen te gaan, nee, mijn vader bezat in de nabijheid van Huis ter Lucht een volkstuin. Op de lap grond ter grootte van honderd vierkante meter had hij een bord geplaatst waarop hij met grote letters het woord BUITENLAND had geschilderd. Als hij na die week verlof terugkeerde op zijn werk, de begraafplaats, gaf hij de begrafenisondernemers en kerkhofbezoekers die hem vroegen waar hij was geweest, steevast ten antwoord: ‘Naar het buitenland’. Vaak wilden de ondernemers en bezoekers gespecificeerd horen welk buitenland bedoeld werd maar mijn vader vroeg hen dan of ze niet wisten waar het Buitenland lag. Buitenland was alles wat zich aan gene zijde van de grens bevond en waar mensen heen gingen die ‘geen raad wisten met hun geld’, zoals mijn moeder zei en die volgens mijn vader ‘nog nooit de slapers uit hun ogen hadden gewreven en daardoor niet zagen hoe mooi Holland is’.
In het Buitenland werkten wij zo hard mogelijk. Mijn vader nam het verlof altijd op als de sperzieboontjes plukrijp aan de struiken hingen, de aardappelen de grond uit moesten, de peen stond te popelen van ongeduld om gebost te worden en de bloemkool net die extra zorg vereiste die maakte dat je later hagelwitte kooltjes kon oogsten. Ik belastte mij met het verwijderen van ongedierte, met name van de slakken, want die bedreigden, vooral bij regen, alle vormen van gebladerte. De grote, bruine naaktslakken moest ik van mijn vader, met de koppen van onze tuin afgericht, op het sperziebonenloof in de volkstuin van zijn directe chef plaatsen. Mijn moeder plukte de boontjes, mijn zuster boste de peen en mijn drie jaar oude broer groef met een afgedankte lepel in de aarde om alvast het spitten te oefenen. Mijn vader zorgde voor de bloemkool en coördineerde de werkzaamheden. Tegen de avond verlieten wij het Buitenland met tassen vol groente en wij zorgden ervoor dat niemand ons zag. Waarom niet? Wel, wij bevonden ons immers in het Buitenland en wat wij aan groenten meenamen smokkelden wij Nederland in. We trokken illegaal de grens over, we waren in overtreding. Het spreekt vanzelf dat wij al die groenten niet konden consumeren; slechts een klein gedeelte hielden wij, het grootste deel brachten wij, in de avondschemering over het stille pad langs het Wippersmolentje fietsend (dat pad is erg mooi geschilderd door Jongkind) om eventuele agenten te ontwijken, rechtstreek naar het pakhuis van Oom Piet op het Stronikaadje. We deden niets wat verboden was en toch zorgde het heimelijke fietsen voor een plezierige spanning: het was net alsof wij echt de wet overtraden. Bij Oom Piet, die groenteboer was, werd alles dadelijk in kisten gedaan en op de kar geladen en mijn vader beurde heel wat geld voor zijn groente die, zoals hij zelf terecht beweerde, van ‘exportkwaliteit’ was.
Dat geld was een welkome aanvulling op het gezinsbudget; zelfs in het begin van de jaren zestig verdiende mijn vader niet meer dan tachtig gulden per week.
Helaas eindigde de dag, na het feestmaal van de zoveel beter smakende groenten (zonder aanvulling van vlees; dat kwam bij ons nooit op tafel, niet omdat we vegetariërs waren maar omdat dat te kostbaar was) die we met een vork door de aardappels prakten – ik heb tot mijn achttiende jaar nooit geweten dat er mensen bestonden die met mes en vork aten – op een minder gelukkige wijze. We moesten van mijn moeder allemaal in bad. In bad gaan is op zich niet zo erg als er zich maar een douche of een bad in huis bevindt. Dat ontbrak bij ons echter; in bad gaan betekende dat in het kleine keukentje een teil werd geplaatst dewelke met op het gasstel in grote pannen gekookt water werd gevuld.
In een betrekkelijk klein laagje water moest je je dan, terwijl nooit alle lichaamsdelen tegelijk onder konden, wentelen en keren teneinde schoon te worden. Meen overigens niet dat voor elke volgende bader nieuw schoon water werd gekookt. Dat zou veel te duur zijn geweest. Nee, eerst ging mijn moeder, daarna mijn vader – in hetzelfde water. Dan werd er nieuw water gekookt en daar waste mijn zuster zich in. Het spreekt vanzelf dat mijn moeder en zuster in het schone water moesten baden: ook in ons huisgezin werd de vrouw achtergesteld, ook bij ons moest zij zich branden in schoon water en zelf zeep aanmaken terwijl wij lekker in hun koude sop mochten. Na mijn zuster was mijn broer aan de beurt – omdat hij de jongste was – en tenslotte moest ik, omdat ik de oudste was en zo goed tegen de kou kon, in hun reeds danig afgekoeld waswater proberen schoon te worden. Een eigenaardige complicatie van deze badestafette was dat het geen der gezinsleden was toegestaan in de keuken te verkeren als één van ons in de teil ging. Op zich zou ook dat niet zo erg zijn geweest, ware het niet dat de enige wc in ons huis zich achter de keuken bevond en slechts via de keuken bereikt kon worden. Daarom luidde het parool voor de badestafette: eerst allemaal naar de wc want ook tijdens het wisselen der teilen mocht de wc niet bezocht worden. Dat zou tijd kosten en tijdsverlies betekende in dit geval: het water koelt af. Om enig idee te geven van het feit hoe nauw het bezuinigen luisterde, vermeld ik nog dat wij nooit mochten doortrekken bij een plas, wel bij een grote boodschap.
En zo zaten we dan, aan het einde van elke verlofdag, dampend in de woonkamer en mochten we nog even opblijven. We waren allen van mening dat niets zo gek was als naar elders afreizen. Dan zou je, zoals mijn moeder zei, ‘niet eens in je eigen bed kunnen slapen’ en dat leek ons het ergste dat je kon overkomen. |